Lucretia Martina, seksslavin

Alhoewel slapen en eten misschien in de buurt komen, zijn er weinig dingen meer prominent aanwezig in de persoonlijkheid van Lucretia Martina dan haar obsessie met seks en mannen.

Tegen praktisch iedere man die Lucretia tegenkomt raakt ze er niet over uitgepraat dat hij een “mooie man” is: “U ben ech een knappe man, hoor!”. Interessant genoeg is een van de weinige uitzonderingen daarop de afgetrainde en met zandloperfiguur uitgeruste zwarte personal trainer van Linda de Mol. Lucretia spreekt geen woord tegen hem, terwijl hij nu juist de mooie man bij uitstek is.

Daarnaast zijn erg veel van de zogenaamde Antilliaanse wijsheden van Lucretia Martina van toepassing op haar obsessie met de uiterlijke verschijning van mannen. Zo is een feest volgens haar net als een slagerij, want “wie er het eerste is, krijgt het lekkerste stukje vlees”. In een interview met een van de boeren uit het programma Boer Zoekt Vrouw wil Lucretia er dan ook dolgraag achterkomen of de boer de drie vrouwen die voor hem in de race waren van tevoren heeft “uitgeprobeerd”. Lucretia begrijpt ook niet waarom de boer überhaupt meedeed aan een datingprogramma: “U had gewoon naar de Antillen gegaan, daar zijn genoeg vrouwtjes, hoor! U had ze werkelijk van u af moeten meppen”. Op het moment dat de boer zijn stal laat zien, kan Lucretia het wederom niet laten: “Eindelijk mag ik een keer in een stal met een boer, hoor, want dat is toch eigenlijk wel stiekem altijd een droom geweest. Boer Jan, is er ook een hooiberg?”. Een paar minuten later komt Lucretia met nog een zogenaamde Antilliaanse spreuk, een advies voor mannen: “Lijkt je baby op je allerbeste vriend, zoek dan een andere vriend”.

Het neerzetten van de inheemse vrouw als overdreven exotisch en sensueel is binnen het Oriëntalisme, zoals de literatuurwetenschapper Edward Saïd dat uitlegt in zijn baanbrekende boek Orientalism uit 1978, al enige tijd bekend. De overheersende koloniale macht heeft altijd de neiging om het vrouwelijke gedeelte van de onderdrukte bevolking hevig te reduceren tot promiscue, op elk moment gewillige, onderdanige vrouw, die aan niets anders dan seks en mannen kan denken.

Deze ideeën over de exotische, inheemse, en dus ook de zogenaamde negerin, stammen uit de tijd waarin Nederland nog slaven hield in Suriname en de Antillen. Anton de Kom schrijft daarover in zijn boek Wij slaven van Suriname (p. 37) het volgende: “Wanneer echter de laatste rij der vrouwen naar huis keert door de velden … dan gebeurt het vaak dat de meester zijn oog slaat op een der jonge negerinnen en haar wenkt om de katoenmand neer te zetten. Dan begint voor haar, in de nacht, de tweede taak, het voldoen aan de geile lusten van haar meester. Geen enkele vrijstelling bestond voor deze verplichting. Daar de negerslaven immers geen mensen waren, golden voor hen noch de sacramenten der kerk, noch de burgerlijke wetten. Het was voor een petata (blanke) eenvoudig niet aan te nemen, dat er tussen twee zwarten zoiets als een huwelijksband bestaan zou en ook de vrouwen van slaven moesten zich herhaaldelijk van hun echtelijk leger naar de woning hunner meesters begeven.”

Na het lezen van bovenstaand stuk over het denken van de blanke overheerser, komt het mij een stuk misselijkmakender voor dat een als nazaat van zwarte slaven verklede vrouw (1) constant blanke mannen aanspreekt om te zeggen dat ze knap, mooi en begeerlijk zijn, (2) geen kans voorbij laat gaan om te benadrukken dat “wij op de Antillen” het niet zo nauw nemen met trouw aan één partner, en (3) iedere mogelijkheid om aan te geven dat zij er zelf wel pap van lust aangrijpt. Het is alsof Lucretia Martina recht uit een plantagefantasie van een blanke man uit de 17e eeuw gestapt is.

 


About this entry